Het Bospad



Heel lang geleden woonde er een vrouw diep in het bos.  

Deze vrouw was gelukkig. 

Ze had alles wat ze zich maar konden wensen.  

Een lieve man, een prachtig huis, vier heerlijke kinderen, dieren om van te houden, werk en genoeg geld om van te leven. 

Iedereen was gezond, dus wat kon er gebeuren? 

De vrouw leefde erg gelukkig met alles wat ze bezat. 

Totdat er op een dag een man op haar deur klopte. 

De vrouw deed open en de man sprak: ‘Dag mevrouw, ik kom u halen.’ De vrouw schrok. ‘Hoe bedoelt u?’, vroeg ze met een beverige stem. De man keek haar lief aan en stak zijn hand uit. 

Ze deinsde iets naar achteren, maar liet hem door de schrik toch begaan. Met een zachte streling gleed zijn hand langs haar gezicht. De vrouw was nu niet meer bang.  

Ze begreep meteen waar deze man voor kwam. 

‘Komt u toch binnen’, zei de vrouw en ze gingen aan de keukentafel zitten. Ze keek hem met betraande ogen aan en vroeg: ‘Waarom?’ 

De man sprak met een zachte lieve stem: ‘Het is tijd.’  

Waarop haar hand even aanraakte. ‘Deze afspraak hebben wij lang geleden gemaakt. Kun je je dat nog herinneren?’ 

De vrouw snikte en knikte door haar tranen heen. 

Ze stond op, keek nog één keer om zich heen en zei: ‘Zullen we dan maar gaan?’  De man stond op en begeleidde de vrouw naar buiten. De vrouw was toch wat bang. Ze huilde zachtjes.  

Ze had nog zo graag afscheid willen nemen van iedereen. 

‘Aan de overkant van jullie huis is een bospad.

Dit bospad lopen we samen af. Geef mij een hand, ik ben bij je.  

Ik breng je veilig thuis.’ Ze droogde haar tranen en knikte.

Ze had hem begrepen. Langzaam liepen ze het bospad op. Stap voor stap werd gezet. Bij de eerste stap kreeg de vrouw haar man te zien, ze was zo gelukkig met hem. Bij de tweede stap, haar oudste zoon.

Zo groot al, hij leek op zijn vader. Bij de derde stap zag ze haar oudste dochter, wat een heerlijke meid! 

Bij de vierde stap, zag ze de tweeling, hand in hand, onafscheidelijk. Bij de vijfde stap, zag ze haar eigen volwassen leeftijd aan zich voorbij gaan. Haar schooltijd, uitgaan, verliefd worden, trouwen, kinderen krijgen, dit allemaal in één stap. 

Bij haar zesde stap, zag ze zichzelf als kind spelen, haar ouders, broers en zussen, verjaardagen. Wat was ze toch een lief meisje. 

En bij de zevende stap stond ze in een tunnel. 

De tunnel was donker, ze kneep de man naast zich wat harder in zijn hand. ‘Het komt goed.’ Zei hij zacht. Door zijn helende stem werd ze weer rustig. In de verte zag ze licht.  

Dit licht kwam in een sneltreinvaart op haar af. 

Al snel was de hele tunnel verlicht. 

Het licht flitste langs haar heen, steeds sneller en sneller. 

 

Tot ze opeens stond ze stil.  

Het licht was weg en ze stond weer in het donker. 

De man naast haar was weg. Haar hand zat niet meer in de zijne. 

Ze werd bang en wilde net gaan huilen, toen ze plots een stem heel dichtbij haar hoorde. Weer die helende stem van de man die bij haar was. Hij fluisterde in haar oor: ‘Waar wil je naar toe?’ 

De vrouw antwoordde: ’Ik wil naar het licht.’ 

De man hield haar hand weer vast en in de verte zagen ze het licht al op hun afkomen. Dit keer ging het licht nog sneller en sneller, allerlei kleuren vlogen voorbij. 

Het leek wel of ze in een achtbaan van licht zat.  

Ze ging links dan weer rechts, over de kop en weer strak vooruit. 

Totdat ze plotseling stil stond. Dit keer stond ze niet in het donker, maar was alles wit om haar heen. De man naast haar was weer verdwenen en daar stond ze, alleen in het witte licht. 

Opeens hoorde zij een stem iets zeggen, een bekende stem. 

‘Het was tijd dat hij je kwam halen. Het was gewoon jouw tijd.’ 

De vrouw keek in de richting vanwaar de stem vandaan kwam en schrok. Ze zag haar lieve vader dichterbij komen en daar, daar was ook haar moeder! Ze zag nog meer mensen op haar af komen. 

Haar opa’s en oma’s, haar broer en nog vele andere familieleden begroetten haar. 

Ze werd met blijdschap onthaald en langzaam veranderde het witte decor in een gezellig samenzijn. Na een tijdje kwam de man naar haar toe en zei: ‘Ga je mee, het is tijd.’ De vrouw nam afscheid van haar familie en ging met de man mee. ‘Het is niet ver’, zei de man. Opeens was ze op een plek, waar ze alleen maar pastelkleuren zag. ‘Dit is de plek, waar iedereen naartoe gaat na zo’n lange reis.

Dit is de plek waar je mag uitrusten.’ 

De vrouw keek om zich heen. Ze zag heel veel Engelen.  

Engelen die de mensen van Aarde aan het verzorgen waren. 

De man bracht haar naar haar bed. Een heerlijk zacht bed. 

Ze ging erop liggen en viel gelijk in een diepe slaap. 

De man dekte haar toe met een warme deken en fluisterde in haar oor: ‘Tot straks.’ Ze droomde van thuis, ze droomde van haar gezin, de dingen die ze samen hadden gedeeld, hun lach, hun verdriet. Ook zag ze wat hen nog te wachten stond. 

In het begin was het moeilijk, maar uiteindelijk zou alles lopen zoals het moest gaan. Ze gaf iedereen een zoen en zei: ‘Weet dat ik altijd bij jullie ben om te helpen. Ik loop met jullie mee. En als de tijd daar is, ben ik het, die daar op jullie wacht.’ 

En met een schok schrok ze wakker. Ze was terug op Aarde. 

Ze lag in haar eigen bed en naast haar, lag haar man! 

Het was nog vroeg en zachtjes stapte ze uit bed. 

Ze trok haar duster aan en ging voor het raam zitten. 

Het was nog donker en ze keek richting het bospad

Op het bospad stond de man uit haar droom en hij knikte. 

De vrouw pakte pen en papier en begon te schrijven. 

Ze schreef…. 

 

“Als jullie dit lezen ben ik niet meer hier. 

In mijn droom hebben ze mij al mee genomen en het is er heerlijk! 

Ik heb onze ouders weer gezien en mijn broer. 

Alle andere familieleden waren er ook en het was één groot weerzien. 

Het is daar zo heerlijk, maar het bleek een droom te zijn. 

Maar bij het wakker worden stond de Engel die mij ophaalde al op het bospad te wachten. 

Maken jullie je geen zorgen. Het is net alsof ik op reis ga, alleen iets langer. 

Treur niet, ik zal vaak bij jullie zijn. 

Bij geluk en verdriet zal ik jullie helpen. 

Zal jullie omarmen en beschermen. 

En één voor één zal ik jullie verwelkomen en weet dat ik daar ben. 

Ik hou van jullie, geniet van dit Aardse leven. 

Zie dit leven als een spel en maak vooral plezier 

Veel liefs, Mama/Maria” 

 

Ze zette de brief tegen een vaas met bloemen en ze deed de deur open. De man lachte en ze pakte zijn hand. Meteen werd ze weer wakker in het bed waar ze in slaap was gevallen. Een Engel vroeg: ‘Heb je afscheid kunnen nemen?’ De vrouw lachte en liet een traan van blijdschap vallen. Ze was thuis. 

 

(Jolanda Rhijnsburger)

Verhaal uit het boek "Levensboomverhalen & Gedichten.

 

  



Gastenboek

Commentaren: 1
  • #1

    Anoek (woensdag, 17 februari 2021 19:06)

    Ik ben helemaal ontroerd � Maar wat een bijzonder verhaal.